Namen en rugnummers

“Aan namen heb ik niets, rugnummers moet ik
hebben”
.  Deze legendarische uitspraak is
van Barend Barendse en dateert alweer van 23 mei 1958. Barendse riep dit toen
hij verslag deed van een wielerwedstrijd en op zijn koptelefoon de melding
kreeg dat Piere Pfimlin was gevallen. Maar Pfimlin was geen wielrenner maar de
Franse premier.


Namen en rugnummers.
De combinatie van de twee woorden wordt
tegenwoordig vooral veel gebruikt door politici en bestuurders. “Leuk die
cijfers, maar ik wil namen en rugnummers zien”. 
Op die manier denkt men een abstract probleem concreter te kunnen
duiden.
Ook in onderwijsland wordt er gepraat over
namen en rugnummers. De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) levert de school rapportages
die zo heten en er is zelfs een heus Programma van Levering Namen en Rugnummers. Op die manier helpt DUO de scholen inzichtelijk te maken wie nu
eigenlijk de Voortijdig Schoolverlaters zijn.
Nu werk ik op een school met meer dan 13000
leerlingen en daarvan verlaten er ieder jaar nog een aantal de school zonder
diploma. Dat aantal is weliswaar de afgelopen 10 jaar zo’n beetje gehalveerd
maar toch vond ik in de maandrapportage van 1 september nog 491 namen.
Deze 491 namen hebben geen rugnummer, wel een
BSN-nummer en een leerling-nummer. En toen ze nog op school zaten hadden ze ook
nog een opleidingscode en een groepscode.
Maar nummers en codes zeggen zo weinig.
Vandaag heb ik de 491 leerlingkaarten van deze 491 jongeren in mijn handen
gehad, gesorteerd en geanalyseerd. Op de kaarten staat ook een foto en vandaag
werd ik dus aangekeken door 491 Voortijdig Schoolverlaters.
Ze hebben allemaal een gezicht. Een klein
aantal ken ik persoonlijk, en ik moest even slikken toen ik sommige koppies
zag.
Inmiddels heb ik de conclusie getrokken dat we
ons in de aanval op schooluitval niet meer schuldig moeten maken aan
cijferfetisjisme. De statistieken zeggen dat het aantal VSV-ers sinds 2001
landelijk is gedaald van 71.000 naar iets meer dan 25.000. Daarmee is de grens wel
zo’n beetje bereikt. Bij mij op school denken we dat er cijfermatig niet veel
winst meer te boeken is. Het aantal van 491 is zelfs iets hoger dan vorig jaar
rond deze tijd.
Natuurlijk ben ik volgende maand weer benieuwd
naar de nieuwe rapportages. Cijfers zijn belangrijk, maar er is ook een ander soort winst te
boeken.
Iedere leerling heeft behalve een nummer ook een naam en
een gezicht. Het is belangrijk dat we echt weten wie onze VSV-ers zijn en wat hun verhaal is. En als ze
dan toch de school verlaten zonder diploma dan toch in ieder geval door de
voordeur, met een goed eindgesprek en een stevige handdruk.
Vrij naar Barend Barendse zeg ik daarom: Aan rugnummers heb ik niets, namen wil ik
hebben en gezichten wil ik zien.


Duikpak

Duiken is een sport die aan elkaar hangt van allerlei
procedures, afspraken en controlemomenten. Duiken doe je altijd met een buddy
en met die buddy voer je ook een buddycheck uit. De duiksport kent ook een
kwalificatiestructuur waarbij je allerlei brevetten kunt halen en als je
in opleiding bent voor zo’n brevet dan horen daar een aantal buitenduiken bij
en die doe je met een buddy én een instructeur.
Mijn jongste zoon, 16 jaar is hij, deed vandaag zo’n
buitenduik als ultieme afronding van zijn eerste brevet en ik was erbij. De
duikclub had een mooie steiger uitgezocht op een half uurtje rijden van onze
woonplaats en toen we daar aankwamen bleek mijn zoon zijn duikpak vergeten te
zijn. Dat hing nog thuis aan de kapstok. “Potverdomme” was mijn eerste
gedachte en ik zei het ook. “Ja, jij luistert ook nooit” zei mijn zoon en
ook daar kon ik hem geen ongelijk in geven. Ik weet van mezelf dat ik goed kan
luisteren, maar ik weet ook van mezelf dat mijn gedachten, zeker als ik het
druk heb met werkbeslommeringen, soms af kunnen dwalen naar van alles en nog
wat en als dat het geval is dan luister ik vaak maar half. Ik had hem wel iets
horen zeggen en of ik dat in de auto wilde leggen en ik had duikspullen
verstaan. De tas met spullen stond onder de trap en ik zei dat hij die zelf
maar moest dragen. Hij gooide de tas in de auto en was in de veronderstelling
dat ik het duikpak al in de auto had gelegd.
Daar stonden we dus, een half uur van huis, zonder dat
duikpak en tot overmaat van ramp ook nog zonder duikschoenen want mijn zoon is
een kind van gescheiden ouders en de duikschoenen had hij van de week nog
schoongemaakt en “die staan nu nog bij mam”.
Bij de steiger was gelukkig een winkeltje en daar kon ik een
duikpak huren met schoentjes erbij. “Doe maar een tientje” zei de man en in
mijn portemonnee zaten nog precies twee briefjes van vijf. Mijn zoon stamelde
nog “dat betaal ik wel van mijn eigen geld”, maar kon gelukkig nu wel zijn
buitenduik gaan maken.
Ik nam plaats op een bankje en keek van een afstandje naar alle
jonge duikers en de onvermoeibare vrijwilligers van de club die met liefde voor
de sport en de jongeren hun werk deden. Een pittige klus, zeker omdat er ook
nogal wat ouders rond krioelden.
Toen moest ik denken aan de lezing die ik twee weken geleden bijwoonde
van de Groningse filosoof Ronald Hünneman. Hij vertelde iets wat ik wel wist,
maar wat ik toch ook vaak weer vergeet. Hij vertelde dat hersenen groeien van
achteren naar voren en dat de groei van de zogenaamde frontale kwab pas na de
puberteit is voltooid en dat is iets waar ouders, docenten en eigenlijk alle
begeleiders van jonge mensen rekening mee moeten houden. Zij moeten eigenlijk
de frontale kwab van het kind zijn.
Maar als vader vind ik juist dat kinderen het meeste leren door te
ervaren en te doen en dat betekent dan ook dat ik automatisch een aantal zaken
gewoon loslaat en dat ik niet continu die frontale kwab wil zijn. Ik kan me wel
druk maken om alles wat er continu mis zou kunnen gaan, maar ik kan ook gewoon
accepteren dat dingen soms mis gaan, dat dat niet erg is en dat je daar ook
iets van leert.
Als ik mijn rol als frontale kwab goed had vervuld had ik
voor het starten van de auto even een procedure moeten doorlopen en moeten checken of duikpak, duikschoenen,
duikbril, snorkel, duikvinnen, handdoek, drinken en lunchpakket aanwezig waren.
Dan waren we er voor vertrek achter gekomen dat we niet compleet waren en dat
had ons dan tien euro gescheeld.
Nu leerden zowel vader en zoon vandaag weer een wijze les en
bij het avondeten noemde mijn jongste zoon het gebeurde een communicatiestoornis
en dat was het natuurlijk ook. Als ik goed had geluisterd had ik gezegd dat hij zijn duikpak zelf in de auto moest leggen.
Hij mocht overigens twee keer duiken en heeft nu zijn
duikbrevet. En die tien euro betaal ik zelf wel.



Hogerop

Nathalie
rondde onlangs de mbo niveau 3-opleiding schoonheidsspecialist af en kon
doorgaan op niveau 4. Maar Nathalie gaat volgend jaar een opleiding tot pedicure
doen, ook op niveau 3. Nathalie wil zich graag in de breedte ontwikkelen en een
ander vakgebied ontdekken.
Paul deed
het gymnasium. Daarna ging hij naar de Pabo. “Ik wilde altijd al op een
basisschool werken, maar ja, ik kon goed leren, dus ik heb het gymnasium maar
afgemaakt”.
Marijn
haalde haar havo-diploma. Ze dacht aan de kunstacademie maar ze wilde toch
vooral iets ambachtelijks doen en ging naar het mbo om te leren hoe je meubels
kunt maken. Dat beviel haar uitstekend.
Nathalie,
Paul en Marijn maakten een keuze. Ze kozen welbewust voor een opleiding en dat
was niet perse de hoogst haalbare opleiding.
Zelf ging ik na het behalen van mijn vwo-diploma naar de universiteit. Dat was wel het hoogst haalbare, maar werd geen
succes. Ik ben gewoon niet zo’n wetenschappelijk type.
“Het stoort mij dat iedereen altijd maar
hogerop wil”.
Dit was het citaat op de voorpagina van de
Volkskrant waarmee het interview met onderwijsminister Jet Bussemaker werd
aangekondigd. Er stond ook een foto bij.
Het lijkt me niet fijn als je als
onderwijsminister wordt neergezet als iemand die het storend vindt dat mensen
hogerop willen. Vervelend dat zo’n citaat een eigen leven gaat leiden en het is
ook helemaal niet wat ze wilde zeggen. Uit het interview komt een veel
genuanceerder beeld naar voren.
Bussemaker is sociaaldemocraat en voor sociaaldemocraten is
onderwijs hét instrument om te komen tot een rechtvaardiger samenleving. Via
onderwijs krijgen jongeren meer kansen dan hun ouders. Via onderwijs komen
jongeren hoger op de maatschappelijke ladder. Onderwijs stelt jongeren in staat
om actief deelnemer te worden aan het maatschappelijk proces van samenleven en
werken.
Ouders
willen het beste voor hun kind, maar verwarren het beste vaak met het hoogst
haalbare. Het Nederlands onderwijsstelsel zit ook zo in elkaar dat je steeds
geneigd bent maar hogerop en hogerop en hogerop te gaan. Net zolang tot je
vastloopt. Op het hbo en op de universiteit vallen de studenten bij bosjes uit.
Ik
geloof zeker dat de kwaliteit van het onderwijs op hbo en universiteit nog kan
verbeteren. Maar uiteindelijk gaat het erom dat je op een plek komt die bij je
past. De plek die bij je past is de plek waar je gelukkig bent en jezelf kan
zijn. De plek ook waar je jouw kwaliteiten het best kan ontwikkelen.
En de
plek die bij je past is dus niet altijd een plek hogerop.

Doorlopen

Het leuke van het volgen van onderwijsprofessionals op Twitter is dat je vaak mee wordt genomen in allerlei hersenspinsels en discussies. In hersenspinsels van docenten, van beleidsmedewerkers, van bestuurders, van journalisten. En in discussies tussen deze onderwijsprofessionals.

Hersenspinsels van kinderen vind je zelden op Twitter. Voor de meeste kinderen is het een hopeloos ouderwets medium, en dat geldt ook voor de meeste MBO- en HBO-studenten die zich zelf liever geen kind meer noemen.

Op Twitter wordt dus veel over kinderen, maar niet met kinderen gepraat.

“Ik schrijf een artikel over doorlopende leerlijnen, maar heb het steeds over doorlopende leerlingen.” verzuchtte iemand eerder deze week. 

“Dat is ook een veel betere term” werd er gereageerd en ook werd er geroepen dat je altijd moet uitgaan van de leerling en niet van het systeem. Met zo’n uitspraak ben je bij mij aan het goede adres dus ik roep dan vrolijk mee, want dat kan op Twitter.

Toch zat het me niet lekker. 

Gedurende de werkweek bleef ik maar terugdenken aan de bewuste uitspraak en vandaag op de fiets besefte ik dat mijn ergernis niet zat in het woord leerlijn.

Inderdaad, als je het hebt over doorlopende leerlijnen heb je het heel erg over het systeem. Maar als je het woord leerlijn vervangt door leerling praat je in feite nog steeds over dat systeem. Net alsof het een doel is om leerlingen zo efficiënt mogelijk door dat systeem te persen, waarbij ze dan natuurlijk wel een beetje moeten doorlopen.

Doorlopende leerlijnen zijn heel belangrijk, begrijp me niet verkeerd, en het is goed dat daar in het onderwijs aandacht voor is. Het is ook fijn dat er doorlopende leerlingen zijn, maar als onderwijs alleen maar over doorlopen gaat dan sla je toch de plank mis.

Volwassen worden is een proces van vallen en opstaan, van hindernissen overwinnen, van proberen, van experimenteren en ervaren.

In dat proces lopen kinderen soms stevig door, maar soms staan ze ook even stil en kunnen ze gewoon niet verder. In het onderwijs is het onze taak om hen juist dan een helpende hand te bieden. 

In het onderwijs draait het niet om de doorlopende leerlijn, maar dus ook niet om de doorlopende leerling. 

Het draait om de leerling.

18

Als 18-jarige mag je opeens van alles wat je als 17-jarige nog niet
mocht.
Als je 18 bent mag je stemmen.
Als je 18 bent mag je bier drinken.
Als je 18 bent mag je auto rijden zonder een 18plusser als
bijrijder. 

Als je 18 bent mag je zelf een mobiel telefoonabonnement afsluiten. 
Als je 18 bent mag je helemaal zelf bepalen of je stopt met school.
Wanneer je het rijtje zo bekijkt, dan lijkt het wel alsof je op
18-jarige leeftijd plotsklaps volwassen bent. En wanneer je het rijtje zo
bekijkt zou je haast denken dat het bij volwassen worden draait om rechten en
plichten. Hoewel ik als vader soms ook de fout hebt gemaakt te denken dat het
bij de opvoeding ging om rechten en plichten  is de werkelijkheid
natuurlijk anders en veel weerbarstiger. Bij het volwassen worden en in de
opvoeding draait het niet om rechten en plichten, maar om wortels en vleugels.
“Goethe schreef ooit:
‘Zwei Dingen sollen Kinder von ihren Eltern bekommen: Wurzeln und
Fluegel’
. En zo is het. Maar ouders vertrouwen hun kinderen al vroeg
toe aan het onderwijs en die opdracht ligt dus net zo goed bij ons.”
lees ik in het meerjarenplan van het Koning Willem I College.
Mijn zoon Stijn is 17. Hij behaalde vorig jaar een VWO-diploma,
studeert en woont op kamers in een andere stad en geniet van zijn autonomie.
Hij zal zich wel eens verslapen en een college missen, maar als ouder weet ik
dat niet en hoef ik dat ook niet te weten. Die jongen redt zich wel.
Mijn stiefzoon Ivo is 18. Hij woont nog thuis, studeert op het mbo
en heeft een druk leventje. Hij heeft een bijbaantje, loopt stage en geniet van
het leven. Thuis kookt hij af en toe, maar hij vindt het ook fijn als het voor
hem gedaan wordt. Die jongen redt zich wel, maar hij heeft nog geen
startkwalificatie en het is toch een prettig gevoel dat hij op school goed
begeleid wordt.
Ieder kind is anders en ieder kind bewandelt zijn eigen pad. De een
slaat eerder zijn vleugels uit, terwijl de ander wat meer tijd nodig heeft zich
te wortelen. 
Maar alle jonge mensen willen gezien worden om wie ze zijn en wat ze
doen. Door goede begeleiding en aandacht ontdekken ze waar hun kracht
 ligt om zich pas daarna zelfstandig verder te ontwikkelen. 
Begeleiding en aandacht zijn voor mij de sleutelwoorden bij het
Ingrado-project “We missen je”. Ik draag in dit project ook mijn
steentje bij en doe dat door mee te praten in de projectgroep “herijking visie en beleid”. Over de visie zijn we het van stuurgroep tot projectgroep inmiddels wel eens.
Onderwijs is een recht en geen plicht en ieder kind heeft behoefte
aan aandacht en begeleiding. Dat houdt niet op als je 18 bent en daarom zouden
18plussers op dezelfde manier benaderd moeten worden als 18minners. Het is de
verantwoordelijkheid van school om te zorgen voor goed en uitdagend onderwijs.
Kinderen moeten immers naar school willen. Het is de verantwoordelijkheid van
de gemeente om te helpen als een kind toch dreigt uit te vallen. Niet door te
sanctioneren, maar door extra aandacht en begeleiding te bieden.
Scholen en gemeentes hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid en
de “we” in “We missen je” staat voor die gezamenlijke
verantwoordelijkheid. Het is een prachtig motto, want ieder kind wil gemist
worden. Dat houdt niet op als je 18 bent.



Deze column schreef ik voor Ingrado, de landelijke brancheorganisatie voor leerplicht en rmc. De column is ook hier te lezen.

Relatie

In 2015 gaat het ministerie
kwaliteitsafspraken maken met mbo-instellingen.
Kwaliteitsafspraken.
De kwaliteit van het onderwijs wordt in eerste
instantie bepaald door de kwaliteit van de relatie tussen onderwijzer en
leerling, docent en student, volwassene en kind.
Het overgrote deel van de leerlingen op het
mbo is tussen 16 en 20 jaar. Jonge mensen op de drempel van volwassenheid.
Jonge mensen met vaak al een hele levensgeschiedenis achter zich. Jonge mensen
die wat sturing en betrokken begeleiding nodig hebben. Kinderen.
Luc Stevens, emeritus hoogleraar
Orthopedagogiek, praat consequent over kinderen.
Of ze nu in het basisonderwijs, het voortgezet onderwijs of het middelbaar
beroepsonderwijs zitten. Stevens onderscheidt drie psychologische
basisbehoeften die gelden voor ieder mens en dus ook voor kinderen. “Ieder mens
is gebouwd om zichzelf te ontwikkelen en heeft een natuurlijke behoefte aan competentie,
autonomie en relatie.”
In gewoon Nederlands zeg je dan “Ik kan het”,
“Ik kan het zelf” en “Ik hoor erbij”.
Kinderen willen erbij horen en hebben dus behoefte
aan relatie, zowel met hun leerkrachten als met andere kinderen. De relatie is
dus essentieel in het onderwijs. Een relatie kan iemand maken of breken.
In een goede relatie leer je
van de ander, maar leert de ander ook van jou. In een goede relatie is er
sprake van respect voor elkaar. In een goede relatie stimuleer je elkaar. In
een goede relatie laat je elkaar los als dat nodig is en steun je elkaar juist
als daar behoefte aan is.
In een relatie is ook lichamelijk contact
belangrijk. Een handdruk, een aai over de bol, een hand op de schouder, een
schop onder de kont, al is die laatste natuurlijk figuurlijk bedoeld.
In het
mbo worden jonge mensen voorbereid op een beroepsloopbaan maar in het mbo ontdekken
jonge mensen ook wie ze daadwerkelijk zelf zijn. ‘Jezelf zijn’ is waar het om
draait in het leven en dus ook op school. In het gelijknamige boek van
professor Dolf van den Berg wordt aan de hand van de eeuwenoude lemniscaat uitgelegd
dat je jezelf altijd bent in relatie tot de ander. Daarom is de relatie
docent-student of leraar-leerling zo belangrijk. Het is een relatie waarin de
student alleen zichzelf kan zijn en alleen kan ontdekken wie hij zelf is als de
docent dat ook is.
Het
onderwijs. De overdracht. De ontmoeting. De dialoog.
Vier
zelfstandige naamwoorden, maar wel vier zelfstandige naamwoorden waar een
relatie voor nodig is.
De
kwaliteit van het onderwijs wordt in eerste instantie bepaald door de kwaliteit
van die relatie.
Relatie.
Ik vind
het ook een veel mooier woord dan kwaliteitsafspraken.



Deze column verscheen vandaag op www.profielactueel.nl en is ook hier te lezen.


Levenslessen

Mijn vader overleed in 2013. Van hem leerde ik dat je niet moet mopperen als het tegenzit, maar je werk goed en zorgvuldig moet doen en aandacht moet hebben voor de mensen om je heen. “En als je kansen slecht staan dan neem je een goede houding aan”, zei hij regelmatig en dat had hij weer van zijn vader geleerd.

Nu ben ik de vijftig gepasseerd en zelf vader van drie zoons en twee stiefzoons. Ik heb het verdriet van mijn scheiding achter mij gelaten, maar realiseer me ook dat ik mijn zoons tekort heb gedaan. Een echtscheiding heeft grote gevolgen voor kinderen. Mijn stiefzoons noemen zichzelf geen stiefzoon en mij geen stiefvader. Ze verloren hun eigen vader op jonge leeftijd, maar gelukkig komt hij nog vaak ter sprake en kunnen ze ook benoemen welke levenslessen ze van hem hebben geleerd.

Op school leerde ik de stelling van Pythagoras, de Duitse naamvallen, de wet van de zwaartekracht en het multipliereffect en al die dingen ben ik ook weer vergeten. Wat de echte levenslessen zijn leer je meestal pas als je ouder wordt.

Mijn rollen als ouder en als onderwijzer beten elkaar soms. Als vader kon ik soms mijn eigen pedagogische inzichten helemaal vergeten. Wat was het toch verrekte lastig om je emoties op een goede manier te gebruiken als het gaat om je eigen kinderen. En wat was het toch verrekte lastig toen ik als vader vond dat ze op school je eigen kind te streng aanpakken. Ik geloof in ruimte en vertrouwen en dat botste meer dan eens met de regels van school.

Mijn zoons hebben de middelbare school inmiddels achter zich gelaten. In hun zoektocht naar autonomie kleurden zij regelmatig  buiten de lijntjes.  Dat betekende de nodige botsingen en gesprekken en bovendien meerdere bezoekjes aan de leerplichtambtenaar. Als vader zat ik erbij en keek ik ernaar. Trots!

“Heb de moed om als ouder niet perfect te zijn” hoorde ik ooit iemand zeggen en ik dacht aan wat ik goed en niet goed had gedaan. Welke levenslessen mijn zoons daarvan hebben geleerd, mogen ze zelf zeggen als ze vijftig zijn.

Gepubliceerd in Brabants Dagblad op 24 juni 2014. Herschreven voor “Namen en rugnummers” (31 maart 2016) en weer wat herschreven en opnieuw gepubliceerd op 15 mei 2019 op mijn vernieuwde site. 15 mei is de sterfdag van mijn vader Jan van Uffelen. 

 

Leerplicht

Deze column verscheen ook op de website www.dagvandeleerplicht.nl in de categorie “verhalen van wethouders”. Ik heb overigens (nog) geen ambities in die richting. Hier vind je een link, maar de column is hieronder ook te lezen.

Ik was 17 jaar in 1982, zat in 5 Atheneum en wist eigenlijk al
dat ik zou blijven zitten dat jaar. Ik had een leuk en druk leven, ik was
actief bij de voetbalclub als jeugdleider en zat in de redactie van het
voetbalblaadje. Ik werkte een avond per week bij een benzinepomp en bracht
iedere donderdag het weekblad en folders rond. In de schoolvakanties werkte ik bij de plaatselijke
augurken- en appelmoesfabrikant. Op school hielp ik mee met de organisatie van
allerlei feesten en activiteiten en ik het weekend ging ik uit en dronk ik
bier, want dat mocht toen nog toen je 17 was. Geld was altijd welkom en toen
klasgenoot André mij vertelde over een lucratieve klus hapte ik gelijk toe. In
opdracht van de gemeente gingen we fietsers tellen en we kregen per uur een
flink bedrag betaald. Mijn ouders vonden het best gek dat ik opeens iedere ochtend
zo vroeg van huis ging want meestal was ik mijn bed niet uit te branden. Wat ze
niet wisten was dat ik niet naar school ging, maar naar een fietsbruggetje in
een buitenwijk waar ik van 7.00 tot 9.00 met een turflijst in de hand fietsers
telde. Toen ik na 9.00 met klasgenoot André samen
naar school fietste en we dus te laat kwamen moesten we lachen om al die leraren
die vriendelijk naar ons gezwaaid hadden. Bij de gemeente waren ze erg
enthousiast over onze tellingen en we mochten een week later weer een week lang
fietsers tellen, nu op een andere plek. Hier kwamen  weer andere leraren langsfietsen en ook zij
zwaaiden vriendelijk. Een paar weken verstreken en nadat we op ieder
strategisch plekje in de stad fietsers hadden geteld had onze contactpersoon
bij de gemeente een nieuwe opdracht. We mochten buspassagiers tellen. Om 7.00
uur moesten we ons melden op het station en we kregen ieder een eigen buslijn
toegewezen. Tot 9 uur reden we in deze bus van begin- naar eindpunt heen en
weer en we telden bij iedere halte hoeveel mensen er in- en uitstapten. Ik
kreeg de buslijn die langs mijn school reed en daar zat ook een leraar in die
mij herkende en het vreemd vond dat ik niet uitstapte bij school. Eenmaal op
school moest ik bij de conrector komen en was het afgelopen met mijn bijbaantje
in dienst van de gemeente want “het was niet de bedoeling dat ik tijdens
schooltijden betaalde arbeid verrichtte” aldus de conrector.

Nu is het ruim 30 jaar later en werk ik zelf in het
onderwijs. Tegenwoordig is de leerplicht uitgebreid met de kwalificatieplicht.
Jongeren tussen 16 en 18 jaar moeten onderwijs volgen tot zij een
startkwalificatie hebben. Daarom werken scholen intensief samen met gemeentes
om er samen voor te zorgen dat zo veel mogelijk jongeren een startkwalificatie
halen.

Anno 2014  is het ondenkbaar
dat jongeren spijbelen van school omdat ze in opdracht van de gemeente fietsers
en buspassagiers moeten tellen. Als leerlingen meer dan 16 uur spijbelen dan
worden ze gemeld bij de leerplichtambtenaar van de gemeente. De
Leerplichtambtenaar kan een oplossing op maat aandragen, maar ook optreden als
“critical friend” van het onderwijs. Gemeentes zijn ook belangrijk in het bij
elkaar brengen van scholen en het bedrijfsleven. Ook kunnen gemeentes hun
sociale gezicht tonen en voor elke tien medewerkers één stageplaats aanbieden.

Terugdringen van schooluitval is geen project met een begin
en een eind. De doelstelling is ambitieus, maar haalbaar, zeker als gemeentes
en scholen samenwerken in dienst van “hun” jongeren. Niet door naar elkaar te
wijzen maar door samen in gesprek te blijven over en met kwetsbare kinderen. De
leerplicht en kwalificatieplicht zijn daarbij ondersteunend.

Bij toerbeurt geven
vier panelleden hun visie op onderwijs. Deze week Reinoud van Uffelen. Hij
werkt namens het Koning Willem I College als Programmamanager Voortijdig
Schoolverlaten voor de regio Noordoost-Brabant.



Tweede kans

“Van Krantenjongen
tot Miljonair” is een boek uit 1926 en het boek zegt dat als je maar hard genoeg
werkt, lef hebt en ondernemend bent dat je er wel komt in het leven. Bill Gates
en Steve Jobs maakten hun universitaire opleiding niet af maar dat was voor hen
geen belemmering om Microsoft en Apple uit te bouwen tot grote multinationals.
In Nederland hebben we Henny van der Most en Joop van den Ende. Henny verliet
op 15 jarige leeftijd de technische school en ging in oud ijzer handelen. Hij is
nu 63 jaar, koopt oude bedrijfspanden, bouwt deze om tot horeca- en
amusementspaleizen en heeft zo’n 2000 medewerkers in dienst. Joop van den Ende
maakte de LTS wel af, maar ging niet verder leren. Hij begon een winkel in
feestartikelen en zijn levensverhaal is bekend.

Bijna iedereen kent wel iemand in zijn omgeving die het
zonder diploma heeft gemaakt. Wat al die
extreem succesvolle schoolverlaters zo groot gemaakt heeft, is niet hun gebrek
aan een diploma of opleiding. Ze beschikken over een ongelooflijk talent en dat
is de basis voor hun succes.

Zelf ben
ik ook een schoolverlater. Mijn universitaire studie bracht me niet wat ik zocht
en in ieder geval geen geluk. Na wat omzwervingen en een aantal jaren als
reisleider werd ik terug in Nederland geconfronteerd met de realiteit. Ik was
niet talentvol en ondernemend genoeg om zonder diploma verder te komen en via
allerlei baantjes belandde ik op 32-jarige leeftijd als zij-instromer in het
Middelbaar Beroepsonderwijs. Ik was 35 toen ik mijn HBO-diploma haalde.

Nu mag ik
mij in de regio Noordoost-Brabant Programmamanager Voortijdig Schoolverlaten
noemen. Investeren in jongeren en een startkwalificatie loont, daarom werk ik
mee aan de landelijke ambitie om het aantal voortijdig schoolverlaters in 2016
terug te dringen tot maximaal 25.000 leerlingen per jaar.
Scholen en
instellingen kunnen veel doen om uitval te voorkomen. Dat begint bij het voeren
van intakegesprekken en het bieden van objectieve informatie over de opleiding
en het werk waar het toe opleidt. Ook is het belangrijk dat onderwijs goed en
uitdagend is. Een voorbeeld is het werkatelier op de Ondernemersacademie van
het Koning Willem I College. In het werkatelier leren studenten individueel of
in kleine groepjes ondernemend te denken en te zijn.
Het
belangrijkste middel in de strijd tegen voortijdig schoolverlaten is echter het
intensief begeleiden van leerlingen tijdens de gehele studieloopbaan.  Het vereist pedagogische tact. Een goede
verbinding tussen docent en leerling is essentieel. Goede relaties geven het
vertrouwen dat nodig is voor goede prestaties.
Scholen
moeten ook samenwerken en elkaar vinden in het belang van onze jongeren. Niet
iedereen is een Bill Gates of een Joop van den Ende. Een startkwalificatie
helpt jongeren  op weg en als samenleving
zijn we het verplicht om jongeren kansen en indien nodig tweede kansen te
bieden.
Ik ben
blij dat ik een tweede kans heb gehad.

Bij toerbeurt geven vier panelleden hun
visie op onderwijs. Deze week Reinoud van Uffelen. Hij werkt namens het Koning
Willem I College als Programmamanager Voortijdig Schoolverlaten voor de regio
Noordoost-Brabant.



Liefde

Uiteindelijk
draait alles om de liefde. Toch? Liefde is overal en dus ook in het onderwijs.

De
kleuterjuffrouw die met liefde praat over “haar” leerlingen. De al wat oudere
aardrijkskundeleraar met een grenzeloze liefde voor zijn mooie vak. De 16-jarige
gymnasiaste die stiekem verliefd is op die jonge Biologie-leraar met zijn mooie
krullen. De startende docente die zich aangetrokken voelt tot die dromerige
goedgebouwde jongen recht achterin het lokaal. De ervaren docent Engels die
even niet zo goed functioneert omdat hij de liefde van zijn leven is
kwijtgeraakt.

Liefde.

Liefde is
alom aanwezig op school. Op Valentijnsdag zie ik ieder jaar meer jongens en
meisjes met een rode roos onder hun arm van het station naar school lopen.
Slimme studenten op onze campus hebben er zelfs een handeltje van gemaakt. Ook
komt de GGD regelmatig binnen de schoolpoorten. Ze proberen jongeren bewust te
maken van het feit dat liefde en seks mooi zijn en dat het iets is waarop je je
goed kunt voorbereiden. 

Maar het mooiste
om als docent mee te maken is de liefde tussen twee van je leerlingen.

In april 2007 zag ik het ontstaan tussen twee van
mijn leerlingen. Frank uit Rosmalen
was toen derdejaars van de opleiding Toerisme op het Koning Willem I College en
wij hadden hem als “ouderejaars” meegenomen als reisbegeleider van een
tweedejaars studiereis naar Spanje. Stephanie, een meisje met een Portugees-Deense
achtergrond die sinds 2005 in Vught woonde, was mee op reis. Ik herinner me nog
goed dat Frank me in vertrouwen nam en zei dat er een meisje in de groep zat
dat hem leuk vond en dat het wederzijds was. Hij vroeg zich af of hij er wel
werk van kon maken, want hij was immers de reisleider. “Go for it, Frank” zei
ik. Maar de liefde hield geen stand want Stephanie ging korte tijd na de
studiereis stage lopen voor het “Disney International Programme” in Florida.
Die stage duurde tot eind oktober en juist op dat moment vertrok Frank naar
Curaçao voor zijn vierdejaars stage. Ze zouden elkaar dus een jaar niet
zien.

Ruim vier jaar later, op 1 september 2011 was er
een reünie van de opleiding Toerisme in café Loenz hier in de stad. Ik stond
aan de bar gezellig te kletsen en opeens had ik het gevoel dat ik mijn twee
gesprekspartners beter alleen kon laten.

Nu, twee jaar later zie ik op Facebook dat
Stephanie werkt als service agent voor de KLM en dat Frank restaurant &
conference supervisor is bij het Mercure in Den Haag. Hun beroepsopsleiding op
het Koning Willem I College heeft hen een goede start in de maatschappij gegeven.
Maar nog belangrijker is dat ze elkaar in de liefde gevonden hebben. Het staat
er echt: “relatie sinds 1 september 2011” en ik was erbij.

Liefde. Uiteindelijk draait alles om de liefde.


Bij toerbeurt geven vier panelleden hun visie op onderwijs. Deze week Reinoud van Uffelen. Hij werkt namens het Koning Willem I College als Programmamanager Voortijdig Schoolverlaten voor de regio Noordoost-Brabant.