Levenslessen

Mijn vader overleed in 2013. Van hem leerde ik dat je niet moet mopperen als het tegenzit, maar je werk goed en zorgvuldig moet doen en aandacht moet hebben voor de mensen om je heen. “En als je kansen slecht staan dan neem je een goede houding aan”, zei hij regelmatig en dat had hij weer van zijn vader geleerd.

Nu ben ik de vijftig gepasseerd en zelf vader van drie zoons en twee stiefzoons. Ik heb het verdriet van mijn scheiding achter mij gelaten, maar realiseer me ook dat ik mijn zoons tekort heb gedaan. Een echtscheiding heeft grote gevolgen voor kinderen. Mijn stiefzoons noemen zichzelf geen stiefzoon en mij geen stiefvader. Ze verloren hun eigen vader op jonge leeftijd, maar gelukkig komt hij nog vaak ter sprake en kunnen ze ook benoemen welke levenslessen ze van hem hebben geleerd.

Op school leerde ik de stelling van Pythagoras, de Duitse naamvallen, de wet van de zwaartekracht en het multipliereffect en al die dingen ben ik ook weer vergeten. Wat de echte levenslessen zijn leer je meestal pas als je ouder wordt.

Mijn rollen als ouder en als onderwijzer beten elkaar soms. Als vader kon ik soms mijn eigen pedagogische inzichten helemaal vergeten. Wat was het toch verrekte lastig om je emoties op een goede manier te gebruiken als het gaat om je eigen kinderen. En wat was het toch verrekte lastig toen ik als vader vond dat ze op school je eigen kind te streng aanpakken. Ik geloof in ruimte en vertrouwen en dat botste meer dan eens met de regels van school.

Mijn zoons hebben de middelbare school inmiddels achter zich gelaten. In hun zoektocht naar autonomie kleurden zij regelmatig  buiten de lijntjes.  Dat betekende de nodige botsingen en gesprekken en bovendien meerdere bezoekjes aan de leerplichtambtenaar. Als vader zat ik erbij en keek ik ernaar. Trots!

“Heb de moed om als ouder niet perfect te zijn” hoorde ik ooit iemand zeggen en ik dacht aan wat ik goed en niet goed had gedaan. Welke levenslessen mijn zoons daarvan hebben geleerd, mogen ze zelf zeggen als ze vijftig zijn.

Gepubliceerd in Brabants Dagblad op 24 juni 2014. Herschreven voor “Namen en rugnummers” (31 maart 2016) en weer wat herschreven en opnieuw gepubliceerd op 15 mei 2019 op mijn vernieuwde site. 15 mei is de sterfdag van mijn vader Jan van Uffelen. 

 

Leerplicht

Deze column verscheen ook op de website www.dagvandeleerplicht.nl in de categorie “verhalen van wethouders”. Ik heb overigens (nog) geen ambities in die richting. Hier vind je een link, maar de column is hieronder ook te lezen.

Ik was 17 jaar in 1982, zat in 5 Atheneum en wist eigenlijk al
dat ik zou blijven zitten dat jaar. Ik had een leuk en druk leven, ik was
actief bij de voetbalclub als jeugdleider en zat in de redactie van het
voetbalblaadje. Ik werkte een avond per week bij een benzinepomp en bracht
iedere donderdag het weekblad en folders rond. In de schoolvakanties werkte ik bij de plaatselijke
augurken- en appelmoesfabrikant. Op school hielp ik mee met de organisatie van
allerlei feesten en activiteiten en ik het weekend ging ik uit en dronk ik
bier, want dat mocht toen nog toen je 17 was. Geld was altijd welkom en toen
klasgenoot André mij vertelde over een lucratieve klus hapte ik gelijk toe. In
opdracht van de gemeente gingen we fietsers tellen en we kregen per uur een
flink bedrag betaald. Mijn ouders vonden het best gek dat ik opeens iedere ochtend
zo vroeg van huis ging want meestal was ik mijn bed niet uit te branden. Wat ze
niet wisten was dat ik niet naar school ging, maar naar een fietsbruggetje in
een buitenwijk waar ik van 7.00 tot 9.00 met een turflijst in de hand fietsers
telde. Toen ik na 9.00 met klasgenoot André samen
naar school fietste en we dus te laat kwamen moesten we lachen om al die leraren
die vriendelijk naar ons gezwaaid hadden. Bij de gemeente waren ze erg
enthousiast over onze tellingen en we mochten een week later weer een week lang
fietsers tellen, nu op een andere plek. Hier kwamen  weer andere leraren langsfietsen en ook zij
zwaaiden vriendelijk. Een paar weken verstreken en nadat we op ieder
strategisch plekje in de stad fietsers hadden geteld had onze contactpersoon
bij de gemeente een nieuwe opdracht. We mochten buspassagiers tellen. Om 7.00
uur moesten we ons melden op het station en we kregen ieder een eigen buslijn
toegewezen. Tot 9 uur reden we in deze bus van begin- naar eindpunt heen en
weer en we telden bij iedere halte hoeveel mensen er in- en uitstapten. Ik
kreeg de buslijn die langs mijn school reed en daar zat ook een leraar in die
mij herkende en het vreemd vond dat ik niet uitstapte bij school. Eenmaal op
school moest ik bij de conrector komen en was het afgelopen met mijn bijbaantje
in dienst van de gemeente want “het was niet de bedoeling dat ik tijdens
schooltijden betaalde arbeid verrichtte” aldus de conrector.

Nu is het ruim 30 jaar later en werk ik zelf in het
onderwijs. Tegenwoordig is de leerplicht uitgebreid met de kwalificatieplicht.
Jongeren tussen 16 en 18 jaar moeten onderwijs volgen tot zij een
startkwalificatie hebben. Daarom werken scholen intensief samen met gemeentes
om er samen voor te zorgen dat zo veel mogelijk jongeren een startkwalificatie
halen.

Anno 2014  is het ondenkbaar
dat jongeren spijbelen van school omdat ze in opdracht van de gemeente fietsers
en buspassagiers moeten tellen. Als leerlingen meer dan 16 uur spijbelen dan
worden ze gemeld bij de leerplichtambtenaar van de gemeente. De
Leerplichtambtenaar kan een oplossing op maat aandragen, maar ook optreden als
“critical friend” van het onderwijs. Gemeentes zijn ook belangrijk in het bij
elkaar brengen van scholen en het bedrijfsleven. Ook kunnen gemeentes hun
sociale gezicht tonen en voor elke tien medewerkers één stageplaats aanbieden.

Terugdringen van schooluitval is geen project met een begin
en een eind. De doelstelling is ambitieus, maar haalbaar, zeker als gemeentes
en scholen samenwerken in dienst van “hun” jongeren. Niet door naar elkaar te
wijzen maar door samen in gesprek te blijven over en met kwetsbare kinderen. De
leerplicht en kwalificatieplicht zijn daarbij ondersteunend.

Bij toerbeurt geven
vier panelleden hun visie op onderwijs. Deze week Reinoud van Uffelen. Hij
werkt namens het Koning Willem I College als Programmamanager Voortijdig
Schoolverlaten voor de regio Noordoost-Brabant.



Tweede kans

“Van Krantenjongen
tot Miljonair” is een boek uit 1926 en het boek zegt dat als je maar hard genoeg
werkt, lef hebt en ondernemend bent dat je er wel komt in het leven. Bill Gates
en Steve Jobs maakten hun universitaire opleiding niet af maar dat was voor hen
geen belemmering om Microsoft en Apple uit te bouwen tot grote multinationals.
In Nederland hebben we Henny van der Most en Joop van den Ende. Henny verliet
op 15 jarige leeftijd de technische school en ging in oud ijzer handelen. Hij is
nu 63 jaar, koopt oude bedrijfspanden, bouwt deze om tot horeca- en
amusementspaleizen en heeft zo’n 2000 medewerkers in dienst. Joop van den Ende
maakte de LTS wel af, maar ging niet verder leren. Hij begon een winkel in
feestartikelen en zijn levensverhaal is bekend.

Bijna iedereen kent wel iemand in zijn omgeving die het
zonder diploma heeft gemaakt. Wat al die
extreem succesvolle schoolverlaters zo groot gemaakt heeft, is niet hun gebrek
aan een diploma of opleiding. Ze beschikken over een ongelooflijk talent en dat
is de basis voor hun succes.

Zelf ben
ik ook een schoolverlater. Mijn universitaire studie bracht me niet wat ik zocht
en in ieder geval geen geluk. Na wat omzwervingen en een aantal jaren als
reisleider werd ik terug in Nederland geconfronteerd met de realiteit. Ik was
niet talentvol en ondernemend genoeg om zonder diploma verder te komen en via
allerlei baantjes belandde ik op 32-jarige leeftijd als zij-instromer in het
Middelbaar Beroepsonderwijs. Ik was 35 toen ik mijn HBO-diploma haalde.

Nu mag ik
mij in de regio Noordoost-Brabant Programmamanager Voortijdig Schoolverlaten
noemen. Investeren in jongeren en een startkwalificatie loont, daarom werk ik
mee aan de landelijke ambitie om het aantal voortijdig schoolverlaters in 2016
terug te dringen tot maximaal 25.000 leerlingen per jaar.
Scholen en
instellingen kunnen veel doen om uitval te voorkomen. Dat begint bij het voeren
van intakegesprekken en het bieden van objectieve informatie over de opleiding
en het werk waar het toe opleidt. Ook is het belangrijk dat onderwijs goed en
uitdagend is. Een voorbeeld is het werkatelier op de Ondernemersacademie van
het Koning Willem I College. In het werkatelier leren studenten individueel of
in kleine groepjes ondernemend te denken en te zijn.
Het
belangrijkste middel in de strijd tegen voortijdig schoolverlaten is echter het
intensief begeleiden van leerlingen tijdens de gehele studieloopbaan.  Het vereist pedagogische tact. Een goede
verbinding tussen docent en leerling is essentieel. Goede relaties geven het
vertrouwen dat nodig is voor goede prestaties.
Scholen
moeten ook samenwerken en elkaar vinden in het belang van onze jongeren. Niet
iedereen is een Bill Gates of een Joop van den Ende. Een startkwalificatie
helpt jongeren  op weg en als samenleving
zijn we het verplicht om jongeren kansen en indien nodig tweede kansen te
bieden.
Ik ben
blij dat ik een tweede kans heb gehad.

Bij toerbeurt geven vier panelleden hun
visie op onderwijs. Deze week Reinoud van Uffelen. Hij werkt namens het Koning
Willem I College als Programmamanager Voortijdig Schoolverlaten voor de regio
Noordoost-Brabant.



Liefde

Uiteindelijk
draait alles om de liefde. Toch? Liefde is overal en dus ook in het onderwijs.

De
kleuterjuffrouw die met liefde praat over “haar” leerlingen. De al wat oudere
aardrijkskundeleraar met een grenzeloze liefde voor zijn mooie vak. De 16-jarige
gymnasiaste die stiekem verliefd is op die jonge Biologie-leraar met zijn mooie
krullen. De startende docente die zich aangetrokken voelt tot die dromerige
goedgebouwde jongen recht achterin het lokaal. De ervaren docent Engels die
even niet zo goed functioneert omdat hij de liefde van zijn leven is
kwijtgeraakt.

Liefde.

Liefde is
alom aanwezig op school. Op Valentijnsdag zie ik ieder jaar meer jongens en
meisjes met een rode roos onder hun arm van het station naar school lopen.
Slimme studenten op onze campus hebben er zelfs een handeltje van gemaakt. Ook
komt de GGD regelmatig binnen de schoolpoorten. Ze proberen jongeren bewust te
maken van het feit dat liefde en seks mooi zijn en dat het iets is waarop je je
goed kunt voorbereiden. 

Maar het mooiste
om als docent mee te maken is de liefde tussen twee van je leerlingen.

In april 2007 zag ik het ontstaan tussen twee van
mijn leerlingen. Frank uit Rosmalen
was toen derdejaars van de opleiding Toerisme op het Koning Willem I College en
wij hadden hem als “ouderejaars” meegenomen als reisbegeleider van een
tweedejaars studiereis naar Spanje. Stephanie, een meisje met een Portugees-Deense
achtergrond die sinds 2005 in Vught woonde, was mee op reis. Ik herinner me nog
goed dat Frank me in vertrouwen nam en zei dat er een meisje in de groep zat
dat hem leuk vond en dat het wederzijds was. Hij vroeg zich af of hij er wel
werk van kon maken, want hij was immers de reisleider. “Go for it, Frank” zei
ik. Maar de liefde hield geen stand want Stephanie ging korte tijd na de
studiereis stage lopen voor het “Disney International Programme” in Florida.
Die stage duurde tot eind oktober en juist op dat moment vertrok Frank naar
Curaçao voor zijn vierdejaars stage. Ze zouden elkaar dus een jaar niet
zien.

Ruim vier jaar later, op 1 september 2011 was er
een reünie van de opleiding Toerisme in café Loenz hier in de stad. Ik stond
aan de bar gezellig te kletsen en opeens had ik het gevoel dat ik mijn twee
gesprekspartners beter alleen kon laten.

Nu, twee jaar later zie ik op Facebook dat
Stephanie werkt als service agent voor de KLM en dat Frank restaurant &
conference supervisor is bij het Mercure in Den Haag. Hun beroepsopsleiding op
het Koning Willem I College heeft hen een goede start in de maatschappij gegeven.
Maar nog belangrijker is dat ze elkaar in de liefde gevonden hebben. Het staat
er echt: “relatie sinds 1 september 2011” en ik was erbij.

Liefde. Uiteindelijk draait alles om de liefde.


Bij toerbeurt geven vier panelleden hun visie op onderwijs. Deze week Reinoud van Uffelen. Hij werkt namens het Koning Willem I College als Programmamanager Voortijdig Schoolverlaten voor de regio Noordoost-Brabant.



Het kantoor

Mijn vader had vijf jaar als schoolmeester in de Haagse Moerwijk gewerkt toen hij in 1962 een baan als hoofd ener lagere school, aanvaardde. Hij was pas 26 maar toch al bovenmeester zoals ze in het dorp zeiden. Bij de functie hoorde ook een mooie woning die hij huurde van de kerk en in dit huis bracht ik mijn jeugd door. Op de begane grond bevond zich behalve de woonkamer en de keuken ook een aparte kamer voor mijn vader. Wij noemden deze ruimte statig “het kantoor” en ik was er iedere dag wel even. Onze telefoon stond er, zo’n bakelieten met draaischijf, maar ik kwam er ook om naar de boeken van mijn vader te kijken, of om stiekem een dropje te gappen uit het bovenste bureaulaatje.

Mijn vader werkte eigenlijk altijd. Overdag maakte hij lange dagen op school en ’s-avonds, als hij geen vergadering of ouderavond had, werkte hij thuis in zijn kantoor of gewoon in de woonkamer waar hij eens per maand met zijn adjunct handmatig de salarisadministratie deed en zelf de loonstrookjes schreef. Van een scheiding tussen werk en privé had hij geen weet in die tijd en dus kwamen ieder voorjaar alle ouders van alle zesdeklassers bij hem op kantoor. Mijn vader was geen schoolmeester met een rode pen maar vooral een stimulator en motivator. Die oudergesprekken vond hij broodnodig. Hij deed er alles aan om te zorgen dat “zijn” leerlingen doorleerden en als een meisje de capaciteiten had voor de Havo of zelfs het Atheneum maar de ouders vonden de huishoudschool in het dorp goed genoeg dan volgde er een stevig gesprek. Die gesprekken konden nog wel eens uitlopen en bij gebrek aan een wachtkamer moesten de volgende ouders dan plaatsnemen in de woonkamer waar mijn zus koffie inschonk en ik het gesprek op gang hield. Als puber vind je zoiets natuurlijk vreselijk en op een avond tijdens de maaltijd vertelde ik mijn vader dat het maar eens afgelopen moest zijn met die oudergesprekken. Mijn vader ging door met de gesprekken al voerde hij ze niet langer thuis maar op school en hij deed dat tot zijn pensioen in 1997. In de flat waar hij na zijn pensioen met mijn moeder ging wonen had hij grenzend aan de woonkamer toch weer zijn eigen kantoortje en een schoolmeester is hij altijd gebleven. 


Mijn vader overleed plotseling op 15 mei. Hij is 77 jaar geworden.


Visie

Onlangs organiseerde de
PvdA een BIEBdebat over het VMBO in Den Bosch. Tijdens dit debat hoorde ik
wethouder Ruud Schouten iets zeggen over het ontwikkelen van een visie. Een
visie kun je inderdaad ontwikkelen maar een visie kun je ook gewoon hebben.  De visie van de school waar ik werk bestaat uit
de vier woorden “Gewoon een goede school”. Mijn visie op het VMBO geef ik in
deze bijdrage.
De letters MBO staan voor Middelbaar
Beroepsonderwijs. De V in VMBO staat voor Voorbereidend. Voorbereidend op het
MBO dat na het VMBO komt, voorbereidend op de toekomst van de leerling,
voorbereidend op de beroepen van morgen. Wat een ontzettend goede merknaam is
het eigenlijk. Ik vind het maar vreemd dat sommige scholengemeenschappen voor
voortgezet onderwijs hun VMBO-afdeling weer MAVO zijn gaan noemen. Beroepsonderwijs
is namelijk iets waar je trots op kunt zijn en dat woord voorbereidend maakt het af. Het is een voorrecht om leerlingen op
hun toekomst voor te bereiden.
Het echte voorbereidend beroepsonderwijs
vind je dus niet op de grote scholengemeenschappen. Daarvoor moet je eens op
een school als het Duhamel College gaan kijken. Het Duhamel verhuist na de
zomervakantie naar de locatie van het Hervion op de Hervensebaan en samen met
van Maerlant gaan die scholen op in het Stedelijk College. Het is goed nieuws
dat het aantal aanmeldingen voor dat Stedelijk College volgend schooljaar is
gestegen. Het samengaan van het Hervion en het Duhamel College naar één
locatie wordt als een van de redenen voor die stijging gegeven. Het is nog
beter nieuws dat met name de techniekrichting meer leerlingen trekt dan vorig
jaar. Want techniek heeft de toekomst. Je leest bijna dagelijks over het tekort
aan technisch personeel op de arbeidsmarkt, een tekort dat de komende jaren
alleen maar toe zal nemen. Hetzelfde geldt eigenlijk voor de zorg. Ook hier
voorziet de overheid in de nabije toekomst een personeelstekort.
Een “gewoon goed VMBO” bereidt leerlingen voor op een beroep.
Het is belangrijk dat leerlingen er achter komen wie ze zijn en waar hun
kwaliteiten liggen, maar het is zeker ook belangrijk om leerlingen te wijzen
op  juist die sectoren waar de komende
jaren voldoende werk te vinden is. De verhuizing van het Duhamel naar de
Hervensebaan is een kans om te investeren in de sectoren Zorg en Techniek. Ik
wens docenten en leerlingen veel succes op de nieuwe locatie. En de wethouder
wens ik vooral veel visie!



Aardig

Ik geef mijn leerlingen een hand als ze terugkomen na een
schoolvakantie. In mijn wereld zijn mensen namelijk aardig tegen elkaar.
Altijd en overal. Aardig zijn en aardig gevonden worden is iets wat je kunt
leren, of laat ik zeggen, ontwikkelen.
Sommige mensen vinden mij soft, maar als docent probeer ik
altijd aardig te zijn met als bijkomend gevolg dat ik ook aardig gevonden
wordt. Ik ben geen ruziemaker, nooit geweest, en ook in conflictsituaties
probeer ik altijd rustig te blijven. Ik geloof dat dat me aardig lukt.
Ik werk al bijna 20 jaar in het mbo-onderwijs, en dus al bijna
20 jaar met leerlingen in de leeftijd van pakweg 16 tot 20 jaar. Op
verjaardagsfeestjes krijg ik steevast vragen als. “Goh, is dat geen moeilijke
doelgroep?”, “Zo, dat is een pittige leeftijd? Of “Nou, dan zul je wel veel
ongemotiveerde leerlingen hebben?”. Ik beantwoord deze vragen altijd met een
welgemeend NEE om vervolgens uit te leggen hoe leuk het is om met jonge mensen
te werken.
Ieder mens heeft zijn eigenaardigheden, zijn
onhebbelijkheden en zijn kwetsbaarheden en ieder mens heeft zijn goede en
minder goede kanten. Al die zaken gelden voor mij net zozeer als voor de
gemiddelde leerling. Natuurlijk vertonen leerlingen soms ongewenst gedrag, maar
als dat het geval is kun je als docent volgens mij maar één ding doen: aardig zijn. Dat is dus
wat ik doe! Aardig zijn betekent voor mij dat je tijd en aandacht aan die
leerling besteedt. Het betekent voor mij ook dat je iedereen als een uniek mens
benadert. Met de ene leerling voer je een serieus gesprek, met de andere
leerling praat je over Feyenoord-Ajax. De ene leerling krijgt een aai over zijn
bol, de andere leerling krijgt een schop onder zijn kont. Als je aardig bent
kun je je zelfs dat laatste veroorloven  want leerlingen snappen dat je dat doet om ze
verder te helpen, niet om ze dwars te zitten.
Als je de woorden “ongewenst gedrag afleren” googelt gaan de eerste
tien hits over honden, katten of kleine kinderen. Het is voor mij de
bevestiging dat als je met jonge mensen werkt het niet gaat om “ongewenst
gedrag afleren” maar juist om “gewenst gedrag aanleren”.  In hun weg naar volwassenheid hebben
leerlingen een goed voorbeeld nodig. Daarom ben ik aardig tegen mijn leerlingen
en daarom geef ik altijd al mijn leerlingen een hand als ze terugkomen na een
schoolvakantie. 

Oud-leerlingen

Mijn vader was ruim 35 jaar directeur van een basisschool in een klein dorp en bijna altijd als ik als kind met hem door het dorp liep en we iemand tegen kwamen waar hij een praatje mee maakte wist ik wat hij ging zeggen als we weer verder liepen. “Dat is een oud-leerling van mij”.  Oud-leerlingen. Ieder jaar dat je in het onderwijs werkt krijg je er meer oud-leerlingen bij en het hebben van oud-leerlingen is één van de geneugten van werken in het onderwijs.

De afgelopen maanden heb ik weer met veel plezier als docent in de Succesklas mogen werken. De Succesklas is een klas voor uitvallers op het Koning Willem I College (mbo). Bijna wekelijks starten er drie leerlingen die in zes tot acht weken de kans krijgen eens heel goed naar zichzelf te kijken alvorens ze een nieuwe opleiding kiezen.

Omdat er wekelijks nieuwe leerlingen instromen heb ik in korte tijd alweer heel wat leerlingen in de klas mogen verwelkomen. En omdat een leerling niet lang in de Succesklas blijft heb ik ook alweer van de nodige leerlingen afscheid genomen. Daardoor heb ik er dus ook weer een aantal oud-leerlingen bijgekregen.

Ik woon, werk en leef in Den Bosch en loop of fiets regelmatig door de stad. Ik doe hier mijn boodschappen, bezoek het theater, ga soms uit eten en vier ook carnaval.

Naar schatting heb ik er in 10 jaar Koning Willem I College zeker 1200 oud-leerlingen bij gekregen.
Bijna iedere dag kom ik er wel eentje tegen en als ik dan met een van mijn drie zoons ben betrap ik me zelf altijd op dat ene zinnetje van mijn vader: “Dat is een oud-leerling van mij”.

In de missie van ons college staat het zo mooi. “Het succes van de leerling is de reden van ons bestaan” en als docent kan ik zeggen dat het ook echt zo is. Natuurlijk is niet iedereen even succesvol, maar succesjes, groot en klein, mogen gevierd worden en een ontmoeting met een oud-leerling geeft me bijna altijd een trots gevoel.

Ik ben trots op Geert die nu als elektromonteur werkt, trots op Sanne die nu een HBO-opleiding volgt, trots op Dennie die een eigen bedrijf heeft en trots op Ineida die inmiddels moeder is geworden. Trots ben ik ook op mijn oud-leerlingen Kobus en Martijn. Beiden werken nu op het Koning Willem I College en zij zijn dus nu mijn collega’s. Ik wens hen, maar ook mezelf, nog veel oud-leerlingen toe.

Deze column is opnieuw geredigeerd door Ankie van Hezewijk in het voorjaar van 2019. Met mijn oud-leerlingen Dennie, Sanne en Ineida heb ik geen contact meer. Mijn oud-leerlingen Kobus en Martijn spreek ik nog regelmatig. Oud leerling Geert overleed op 11 september 2014. Moge hij rusten in vrede. 

Tussenjaar

Het schooljaar is weer begonnen. Maar niet voor iedereen. Steeds meer jongeren kiezen na het behalen van hun HAVO- of VWO-diploma voor een tussenjaar. Een tussenjaar is hip en hoewel het woord nog ontbreekt in de Dikke van Dale weet inmiddels iedere examenkandidaat wat een tussenjaar is. Het Centraal Bureau voor de Statistiek zegt dat zo’n 15% van de eindexamenkandidaten niet direct verder studeert en men gaat er van uit dat het grootste deel van hen een tussenjaar neemt en uiteindelijk toch aan een vervolgstudie begint. HAVO- en VWO-leerlingen hebben het wat dat betreft maar makkelijk. Met het behalen van hun diploma behalen ze tegelijkertijd een startkwalificatie en of ze nu 18, 17 of 16 zijn. Dat maakt dan niet meer uit. Met een startkwalificatie ben je af van de leerplicht en kun je doen wat je wilt. En dat is nogal wat. In een tussenjaar kun je natuurlijk gaan werken, gewoon om ervaring op te doen en geld te verdienen om je vervolgstudie te betalen. Maar ook vrijwilligerswerk in India, een taalcursus in Spanje of een rondreis met je rugzak door Australië en Nieuw-Zeeland behoren tot de mogelijkheden.
Is het verstandig om een tussenjaar te nemen?
Bezorgde ouders zullen bang zijn dat hun zoon of dochter in zo’n jaar volledig losslaat en dat het daarna moeilijk zal zijn om weer gedisciplineerd te gaan studeren. Ik denk dat een tussenjaar een geweldige ervaring kan zijn voor jonge mensen. Op de werkvloer leer je andere vaardigheden dan op school, in het buitenland leer je een andere cultuur kennen en alleen op reis leer je ontzettend veel over jezelf. Zeker als je niet precies weet wat je wilt gaan doen of als je uitgeloot bent voor de studie van je keuze is een tussenjaar een goed alternatief. Voor overbelaste jongeren is een tussenjaar zelfs een noodzakelijk kwaad en een mogelijkheid om even wat druk van de ketel te halen.
VMBO-ers kunnen geen vrijwillig tussenjaar nemen. De kwalificatieplicht verbiedt hen dat, want een VMBO-diploma geeft weliswaar toegang tot het MBO maar is geen startkwalificatie. Doorleren is voor VMBO-ers daarmee een verplichting geworden en hoewel je met een startkwalificatie veel meer kans hebt op een baan heeft die verplichting dus ook een keerzijde. Ik wil daarom iedereen met een VMBO-diploma aanraden zo snel mogelijk een startkwalificatie te gaan halen op het MBO. Dat tussenjaar kan daarna ook nog.
Ik wens iedereen een goed en welbesteed schooljaar of tussenjaar!
 
 
 

Trots op techniek

Leren doe je je leven lang en dat hoeft niet persé in de schoolbanken. Neem Robin. Als kind vond hij het al leuk om met schroeven, moeren en stekkers te klooien en hij was echt een jongen voor wat vroeger de LTS heette. Op basis van zijn Citotoets kozen hij en zijn ouders echter voor een opleiding op het VMBO-T. Die T staat niet voor techniek maar voor Theoretische Leerweg. Vroeger heette dat de MAVO en meerdere scholen in ‘s-Hertogenbosch gebruiken die naam nog steeds. Robin slaagde met hoge cijfers en iedereen in zijn omgeving riep dat hij verder moest leren op de HAVO. Maar Robin wilde met zijn handen werken en koos op het Koning Willem I College voor een opleiding in de elektrotechniek. Dat was een BBL-opleiding, wat inhoudt dat je vier dagen per week werkt en nog maar één dag in de week naar school komt. Dat kwam Robin mooi uit. Hij had lang genoeg op school gezeten, want school was voor hem vooral stilzitten en daar hield hij niet zo van. Robin volgde zijn hart en koos uiteindelijk voor de techniek. Hij had daar geen overheidscampagne voor nodig. 

Exact een week voordat premier Rutte het ontslag van zijn kabinet aanbood, kwam dat kabinet met zo’n campagne om zoveel mogelijk jongeren te stimuleren een baan in de techniek te kiezen. De zoveelste actie in een lange rij. Ook op provinciaal niveau is men volop bezig om jongeren te wijzen op techniek. “Techniekonderwijs wordt een topspeerpunt in het provinciale arbeidsmarktbeleid.” aldus gedeputeerde Pauli, en er zijn inderdaad veel leuke initiatieven om kinderen al op de basisschool te interesseren voor techniek. Vooralsnog tevergeefs. Ook dit jaar kiezen in ‘s-Hertogenbosch weer minder kinderen voor VMBO-techniek. In andere steden zal het niet anders zijn. Tussen 2006 en 2012 daalde het aantal VMBO-techniek leerlingen landelijk met 30%! 
De overheid kan nog zoveel leuke campagnes bedenken, het zal niet helpen. Namens diezelfde overheid maakte minister van Bijsterveld namelijk bekend dat de Citotoets verplicht wordt op iedere basisschool en daarmee helpt ze alle campagnes om zeep! Een zo hoog mogelijke Citoscore is de norm en ouders zijn pas trots als hun kind naar het VMBO-T of nog beter de HAVO of het VWO gaat. Maar als je kinderen toetst op hun interesses, dan zouden ouders ook trots kunnen zijn op een kind dat Techniek kiest.
De Techniek biedt zoveel mogelijkheden. Met Robin kwam het goed, hij haalde in korte tijd zijn monteursdiploma en heeft nu een eigen busje. Jammer dat hij daarvoor eerst 4 jaar stil moest zitten.