De trompet van de zwaan

In januari 1974 lag ik een aantal weken in het Sophia kinderziekenhuis in Rotterdam. Het was ten tijde van de oliecrisis; benzine was op de bon en het was voor mijn ouders niet mogelijk om dagelijks op bezoek te komen.


Tijdens dat verblijf vierde ik ook mijn negende  verjaardag en ik kreeg toen een kinderboek dat ik nadien stuk heb gelezen, maar alleen nooit helemaal.


Het exemplaar, aangeschaft bij Boekhandel Haasbeek in Alphen aan den Rijn, bleek namelijk een misdruk. Ergens halverwege zaten een aantal witte pagina’s en ontbrak dus een stuk van het verhaal.


Maar het verhaal was prachtig. Het boek heette “De trompet van de zwaan” van de Canadese auteur E.B. White. Op Google lees ik dat het boek werd vertaald door Hans Andreus en 194 pagina’s telde. Daarvan heb ik er tot de dag van vandaag dus een aantal niet gelezen.


Het verhaal gaat over het vreemde leven van een trompetzwaan. Zonder stemgeluid geboren weet deze zwaan zijn handicap te overwinnen door een echte trompet te leren bespelen.


Als negenjarig jongetje zal ik het gelezen hebben als een spannend en ook humoristisch boek. Nu, ruim veertig jaar later, denk ik dat ik het boek zal herlezen met een lach en een traan en zal ik ook denken aan de prachtige uitgangspunten van Passend Onderwijs voor ieder kind.


Passend Onderwijs vraagt immers een andere manier van kijken naar begeleidings- en zorgvragen. Deze is het beste samen te vatten als:
Minder problematiserend, meer faciliterend, minder curatief, meer preventief. Minder stigmatiserend, meer emanciperend, minder uniform, meer differentiërend.


Op internet lees ik ook een kritische recensie over het boek:


“Een fabel over trompetterzwanen, en met name over Louis, de jonge zwaan, die het vermogen mist om te trompetten als zijn soorgenoten en daardoor o. m. zijn verliefdheid op de vrouwtjeszwaan Serena niet kan uiten.


Door diefstal van een trompet, die na veel verwikkelingen betaald wordt, en kontakten met Sam Beaver, een jongen die veel van vogels houdt, is Louis tenslotte een bijzondere vogel, die kan lezen en schrijven en die zelfs concerten kan geven op zijn trompet. Karakteristiek voor oude fabels is het moraliserend element; daarbij fungeren dieren vaak als karikaturen van mensen. Het merkwaardige van deze moderne fabel is, dat de moraal gezocht moet worden in de door de schrijver voorgestelde gelijkwaardigheid van mens en dier, die tot uitdrukking komt in de introduktie van de zwaan in de menselijke samenleving. Als het de bedoeling van de schrijver is geweest hierdoor begrip en liefde voor dieren aan te kweken, schiet hij m.i. hierdoor zijn doel voorbij. Een dier te “vermenselijken” wekt lachlust op. Is het doel het aan de kaak stellen van intermenselijke betrekkingen, dan is dit middel begrijpelijk. Maar om dierenliefde te kweken moeten we niet zijn op het terrein van circusstunten, maar dan moeten we het kind konfronteren met het dier in zijn omgeving, de natuur. In sommige passages schijnt de schrijver dit ook te beseffen, maar helaas laat hij dit over het geheel genomen los, waarom we het boek niet aan kunnen bevelen.”


Ik snap nu beter waarom ik het zo’n mooi boek vond. In mijn opvoeding speelden huisdieren geen rol en je kunt mij moeilijk een dierenvriend noemen. En… dat ik een moralist ben weet ik nu, maar dat was ik waarschijnlijk als jongen van negen jaar ook al.


De laatste bladzijden in het boek herinner ik me nog goed. De verteller Sam Beaver maakt een kanotocht door de Canadese wildernis en zit ‘s-avonds bij het kampvuur. Hij denkt in de verte het geluid van de trompetterende zwaan te horen en maakt zich zelf wijs dat het Louis is die met trompet weer is teruggekeerd naar zijn natuurlijke omgeving.


Een moment om als lezer een traantje bij weg te pinken. Dat zou ik graag nog eens doen, dus laat me weten als u het boek in uw bezit heeft. Dan kan ik gelijk de ontbrekende pagina’s lezen.